Ombouw van Fleischmann,s ANNA HSM DIEREN SERIE 136—203 later NS 6701–6741

Ombouw van Fleischmann,s ANNA HSM DIEREN SERIE 136—203 later NS 6701–6741

De firma Borsig in Berlijn bouwde voor de HSM deze aparte machines in diverse series van 1883 tot 1889. Naast een nummer, kregen deze machines ook een dierennaam, waaronder de prozaische “OS” en de tot de verbeelding sprekende “IZEGRIM”. De speciale vormgeving kwam voort uit de wens de locomotieven met een (1) man te kunnen bedienen. In noodgevallen kon de conducteur via de achterdeur of het looppad langs de ketel het machinistenhuis bereiken en de trein tot stilstand brengen. Op de tramlijnen van de HSM werd van deze mogelijkheid ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. De locomotieven waren speciaal ontworpen voor de dienst op de HSM lokaal- en Tramlijnen, en voor de lichte rangeerdienst. In de HSM-tijd kwam het ook wel voor dat zij, zij het  sporadies,  diensten reden op de hoofdlijnen.
Doordat er bij de machines van de eerste serie tussen het frame een waterreservoir was ondergebracht lagen de assen 10 cm meer naar voren dan bij de latere series. Bij aflevering aan de HSM waren alle locomotieven uitgerust met alleen een stoomrem. De later voor de tramdiensten aangewezen nummers kregen niet alleen het tram stoot- en trekwerk maar tevens een vacuumrem voor het beremmen van de rijtuigen van de tramtrein. Later kwam er een complete vacuuminstalatie en vanaf 1906 werd de hele serie van een Westinghouse- luchtrem en een handrem voorzien. De komst van de luchtrem bracht ook de plaatsing van een luchtreservoir op de linker tenderbak met zich mee. Daar de locs van de eerste serie op die plaats een  watervulopening hadden, werden deze machines voorzien van twee kleinere reservoirs, onderling verbonden door een leiding die met een sierlijk boogje over de vulopening heenliep.
De laatste serie van de “Diertjes”was te herkennen aan een grotere rookkast en een iets dikkere schoorsteen. Vanaf 1907 werden de lange plaatijzeren schoorstenen vervangen door kortere gietijzeren exemplaren en werd de bel van het dak naar de ketel verplaatst. Al in de HSM- tijd werden de machinistenhuizen voorzien van zijdeurtjes met daar boven  zeiltjes om de ergste kou te weren.
Toen de HSM opging in de NS vervielen de HSM namen en werden zij opgenomen in het nieuwe nummer systeem van de NS. Zij kregen de nummers 6701-6741. Als uitzondering op de regel heeft als enige in zijn soort de “JAKHALS” met NS nummerplaat en HSM naam rondgereden! Locomotief HSM 179 “FRET”, die als enige loc uit de serie uitgerust was met een zanddom op de ketel, werd in 1917 aan de Gooische Stoomtram verkocht en heeft nooit een NS-nummer gehad. Ook werden in de NS tijd de sluitseinijzers van de rookkast naar de hoeken van de tenderbakken verplaatst. Lok 6731, in 1933 nog actief op Gouda-Schoonhoven, had als enige zandbakken onder de voetplaat gekregen. Door de instroming van sterkere locomotieven, en door het opheffen van de lijnen waarop ze reden, werden de “Diertjes”overbodig. De laatste machine van deze mooie serie verdween in 1933 van de spoorstaven. Helaas is er niet een bewaard gebleven voor het nageslacht..

De HSM 143 “Jakhals” met een gemengde trein ergens in Noord-Holland

HSM 175 “Baviaan” met korte schoorsteen. Let eens op het gereedschap wat op de tenderbakken staat!

Loc HSM 137 “Duif” de latere NS 6702, in de oer uitvoering als door Borsig geleverd.

NS 679 ex HSM 160 “Kapel” met de sluitseinijzers op de tenderbakken!

 

De “ANNA” van Fleischmann, is een attractief en redelijk goedkoop stoomlokje, met as indeling B, wat zich goed leent om omgebouwd te worden naar een HSM trein/tram locomotief uit de serie HSM DIEREN serie Casuaris- Wesp 136—203,  later de NS 6701–6741. Hoewel de radstand niet helemaal klopt, is voor een bescheiden bedrag toch een zeer goed ogend Nederlands model te realiseren. Het demonteren van het model; De kap zit vast met een schroef ter hoogte van de rookkast en met een paar pasnokjes aan weerszijden van het machinistenhuis. Het rode plastic frame zit met vier pasnokjes en met een schroef van de stroomafnemer vast en breekt gauw af. De motor laat zich na het losdraaien van twee schroefjes rechtstandig omhoog trekken en de wielen vallen nadat het rode frame verwijderd is vanzelf uit hun lagers. Verwijder de koppelstangen van de wielen door de zilverkleurige kunststof pennetjes rechtstandig uit het gat te trekken.  

Het ballastgewicht moet aan de nieuwe situatie worden aangepast. Gebruik een ijzerzaag voor het grove werk en een figuurzaag voor subtielere sneden. Grote en kleine vijlen maken het werk af. Ter hoogte van de vuurkist moet het gewicht iets smaller worden gemaakt, zodat de plastic ketel er straks op past. Gebruikt de ijzerzaag als vijl. Zo ontstond ook het randje, waarop straks de voetplaat komt te rusten.

  Het blok, waarin de motor steekt, wordt zo uitgezaagd, dat de motor er dwars in past. Probeer niet te veel materiaal weg te nemen, het is prettig als de motor straks een beetje klem zit
Verwijder de remblokken. Bij de oudere locs met het waterreservoir tussen de frameplaten, moet het frame wat lager doorlopen door er aan weerszijden een strookje styreen tegen te lijmen. Bij de latere uitvoering moet alleen aan de voorzijde een klein stukje worden ingezet. Aan de stroomafnemers wordt een stuk trafodraad van ca. 0,3 mm gesoldeerd, laat dit onder de voetplaat door lopen  naar het printplaatje van de motor. Daar vastsolderen aan de respectievelijke soldeerplekjes. Het printplaatje zelf wordt verkleind en afgeschuind om onder de kap te passen. Het spoeltje sneuvelde daarbij, maar de ontstoringscondensator kan blijven zitten. Nadat de stroomafnemers zijn geplaatst  kan het frame verder afwerkt worden met baanruimers en dergelijke. Het nieuwe remwerk dekt de stroomafnemer mooi af. Aan de voor- en achterkant van het frame komt een plaatje 0,5mm. Styreen  waarin we met een scherpe stift rondom klinknagels drukken. De tramkoppelingen komen van Philotrain maar kunnen ook gemaakt worden uit een styreenplaatje en messingstaf . Een omgebogen draadje fungeert als koppeling. Na te zijn zwartgeschilderd valt dit nauwelijks nog op.   Maak bij het vastzetten van het frameblok in de bankschroef gebruik van vuren plankjes om beschadiging te voorkomen!   De plaats van de achteras komt overeen met de locs van de latere series, de vooras zit iets te ver naar voren, maar dat valt niet erg op. Je kan ook een loc uit de eerdere series bouwen, maar dan zit de achteras te ver naar achteren. Het verplaatsen van de achteras betekent ook het maken van een nieuwe aandrijving. Om die reden bouwen we loc 6727 (HSM 178, “EZEL”), die ooit in Alkmaar in depot was voor de dienst naar Bergen. Naar men zegt dankte deze serie de bijnaam “ezeltjes” aan deze locomotief. Later deed deze machine, voorzien van vicineaukoppelingen, dienst op Gouda- Schoonhoven.
Het rode frame kan worden ingekort en aangebracht. Van de kap zagen we de ketel voorzichtig los. Verwijder het buisje waar de schroef in zit.

Om straks de dom in de juiste vorm te kunnen vijlen, vullen we deze met tweecomponentenlijm en laten die goed uitharden.

De dom kan nu bewerkt worden. Eerst vijlen met een klein vijltje en daarna nabewerken met schuurpapier totdat de juiste vorm er in zit. De zandkist wordt evenals de schuine zijden van de rookkast en de luchtpomp weggezaagd en de gaten worden opgevuld met stukjes styreen. Slijp alle aangegoten details behalve de voedingsleiding links weg en schuur de ketel glad. Uit Evergreen strip van 0,25 x 0,5 mm. Worden nieuwe ketelbanden gemaakt.

Voor de uitvoering met de lange schoorsteen (tot 1907) wordt de schoorsteen boven de flens van het zadel af gezaagd en vervangen door een nieuw exemplaar, die gemaakt kunnen worden uit een metalen ballpointvuling. Met een rattestaartje en een halfrond vijltje vijlen we het zadel van de schoorsteen pas op de rookkast. Uit een stukje aan een zijde plat-gevijld messingstaf van 0,5 mm. doorsnee buigen we de scepters voor de handrails aan de ketel. Boor de gaatjes hiervoor netjes op een lijn en steek de scepters aan een stukje messingstaf van 0,5 mm. Wurm nu alle scepters in de gaatjes en lijm ze van binnen uit met secondenlijm vast. Steek hierbij een stukje styreen van 1 mm. onder de handrails om de juiste afstand tot de ketel te houden. Fixeer hierna de handrails in de scepters met een heel klein beetje secondenlijm. Laat de scepters niet te veel naar binnen uitsteken, want dan past de ketel straks niet meer om het frameblok! De rechter handrail is tevens de bediening van de blazerkraan, die rechts van de rookkast zit. Het eind van deze stang wordt haaks omgebogen en verdwijnt in de rookkast. De kraan zelf maken we uit dun plaat. Hiervan maken we ook het ganghandel. De veiligheid wordt voorzichtig van de oude ketel gezaagd, aangepast en met voetstuk en al op de nieuwe ketel gelijmd.
Ook de stoombel wordt afgenomen, ingekort en op de ketel gelijmd (tenzij de uitvoering van voor 1907 bouwt) Een stukje staf van 0,8mm. vormt de stoomleiding van de bel. Om de ketel straks op de goede hoogte te krijgen lijmen we er strookjes styreen van 2 x 2 mm. onder.

De diertjes hadden discuswielen en die heeft Anna niet. Een goed alternatief is de wielen aan de achterkant af te dekken met afplakband en deze vervolgens vanaf de voorkant met tweecomponentenlijm vol te gieten. Door het lager maken van de wielflenzen oogt het wiel zo veel beter en de rijeigenschappen zijn er niet minder door geworden Wie over een klein freesje kan beschikken freest eerst de contragewichten en spaken wat lager, zodat het wiel wat meer relief krijgt. Is de lijm uitgehard, dan het oppervlak zoveel mogelijk in profiel schuren en het een laagje matzwarte verf geven om te zien of het oppervlak glad is. Een gaatje van 0,5 mm. Maakt de zaak af. (Er zijn in werkelijkheid twee van deze gaten in de wielschijf meegegoten, die dienen om de as in de wielenbank te kunnen ronddraaien. Doordat de kruktap van het model wat dik is uitgevallen, moet het tweede gat vervallen. De kruktap van de drijfas afvijlen tot de hoogte van de koppelas. De koppelstangen worden smaller gevijld en in het kenmerkende visprofiel gebracht. Nadat de vrije loop van het drijfwerk uitvoerig was getest, werd het geheel vanaf de achterkant met een drupje secondenlijm gefixeerd. let er op, dat de hartsafstand van de gaten in de kopelstangen gelijk is aan de radstand, anders klemt het drijfwerk. De radstand is dertig millimeter

De onderdelen die de nieuwe kap gaan vormen worden aan de hand van het sjabloon/tekeningen uitgezaagd. ( Thonis gebruikte 0,75 mm. aluminium voor de voetplaat en 0,5 mm. voor de rest. De bufferbalken vijlde hij uit  3 mm. Aluminium), de stelbalk onder de voetplaat is gemaakt uit 1 mm. styreen, dat rond de motor van binnen uit wat smaller gevijld moest worden, totdat de kap precies om het frameblok paste.

 

De onderdelen van het machinistenhuis worden met enige reserve uitgesneden/gezaagd, zodat na het buigen een goede aansluiting door vijlen kon worden verkregen en het model kon worden gecorrigeerd waar het nog niet helemaal strookte. Het raam in de achterdeur komt alleen voor bij de latere machines. De oudste machines hadden een deur zonder raam.

   

Thonis verteld verder:

Ik boog het machinistenhuis uit de hand in een platbektang en lijmde het, evenals de waterbakken, op de voetplaat. Ik zorgde ervoor de zijwand goed  in te klemmen, want anders lukt het omzetten niet! Het dak rolde ik met behulp van een potlood op een stapeltje oude enveloppen in de juiste ronding. Past het geheel nu goed op het frame en om de motor en lopen de wielen vrij van de voetplaat, dan kan de ketel met de frontplaat op de voetplaat worden gelijmd en het dak op z’n plaats gebracht. In de vroege HSM-tijd hadden deze machines geen deurtjes. Je kijkt dan tegen het frameblok aan, hetgeen storend kan werken. In dat geval zit er niets anders op, dan nog meer materiaal weg te nemen, waardoor een instap wordt gecreerd. Van de voetplaat moet dan minder materiaal worden weggenomen. Een strategisch geplaatste machinist of stoker kan de inkijk afschermen. Deurtjes maken we van een simpel stukje aluminium, dat achter de deuropening wordt gelijmd. Zo krijgt het machinistenhuis gelijk ook wat meer stevigheid. Om het model wat meer gewicht te geven, lijmde ik stukken lettermetaal (lood) in de waterbakken. De lijst om de achterdeur maakte ik van platgevijld draad van 0,5 mm.

In tegenstelling tot wat op de meeste tekeningen staat weergegeven, zitten de scharnieren rechts. Kleine stukjes 0,5 mm. draad imiteren deze scharnieren en de deurkruk. Ook de randen om de patrijspoorten maakte ik van dit draad, dat ik uitgloeide en om een boor tot ringetjes boog. Ik soldeerde ze dicht en sleep ze onder een vinger op fijn schuurpapier vlak. In de voor en de achterwand van het machinistenhuis boren we gaatjes waarin de rails van de gordijntjes uit draad 0,5 mm. wordt gestoken. Als alle onderdelen op hun plaats zitten, verwijderen we de lijmresten met een glasvezelstift. . De strips om de waterbakken en het machinistenhuis maakte ik van glad isolatieband, dat op een plaatje in dunne strookjes werd gesneden en opgeplakt. Om deze banden te fixeren bespoot ik de kap tenslotte met witte verf

Nu kan de kap worden afgewerkt met alle gewenste details.
Een modelkoppeling kwam uit een zakje van ROCO, evenals de luchtslangen. De vacuumleiding is gemaakt van een gitaarsnaar, de leiding voor de stoomverwarming uit een stukje gedeeltelijk gestript schelledraad. De lantaarnhouders zijn gemaakt uit dun aluminium, sluitseinhouders kwamen van ROCO of werden uit draad gebogen. De luchtketel is gemaakt uit een stukje 4 mm. buis, met 3 mm. staf er in gelijmd. De dikkere middelste ring en de banden werden nagebootst door glad isolatieband om de ketel te plakken. In drie zaagsneden komen stukjes plaat, die vervolgens in model worden gevijld en zo de pootjes vormen. De gordijntjes zijn gemaakt uit dik aluminiumfolie (bakje van de Chinees). Ze werden aan de rails bovenaan het machinistenhuis gelijmd. Als de glimmende delen van de motor ook nog zwart worden geschildert, wordt deze redelijk goed aan het oog onttrokken door deze gordijntjes. Voor natuurgetrouwe plooien kunnen we het best op een foto kijken.

Op het dak komt een fluit, die uit een stukje staf 0,8 mm. wordt gevijld en op de dom komt ook een dergelijk voorwerpje. Een klein stukje buis (vulling van een 4-kleuren ballpoint) op dunne pootjes naast de fluit stelt de stoomuitlaat van de vacuumejector voor, een omgebogen stukje staf 0,8 mm. de stoomleiding die er vanaf de frontplaat heenloopt. Op de veiligheid moet ook nog een dun stripje worden gelijmd, dat de handgreep voor moet stellen.   De trapjes onder het machinistenhuis werden uit messingstaf 0,5 mm. en plaat in elkaar gelijmd. Let er bij het bevestigen op, dat ze het drijfwerk niet in de weg zitten! Alle stangen aan het machinistenhuis zijn ook van messingstaf.0,5 mm. In de HSM tijd waren deze in ieder geval blank gepoetst. Bij Spoorcuriosa in Haarlem werden de lantaarns en een prachtige messing luchtpomp van het juiste model, eveneens van PHILOTRAIN aangekocht. Uit een stukje staf van 0,5 mm en een sceptertje uit de scheepsmodelbouw maken we de afsluiter van de luchtpomp. De leiding van de kraan naar de pomp buigen we sierlijk in de goede bocht, waarna het sceptertje in een gaatje schuin onder de bel vastlijmen. Omdat de leiding naar de pomp blank moet blijven, doen we dit het beste na het schilderen  

Het Ezeltje van Thonis op zijn modelbaan.

   

Een hele serie Anna’s om getransformeert tot  B-lokaaltreinlokomotieven

De 6708 van Hans Reints

 

Toofje met een poswagen aan de gang

Het verschil tussen een hoofdlijnmachine NS6000 en de 6700

SCHILDEREN door Thonis
De HSM schilderde zijn materieel in een donker bronsgroene tint. De voetplaat was zwart evenals het dak van het machinistenhuis en de rookkast. De wielen en het frame waren roodbruin. De bufferbalken waren signaalrood, buffers en koppelingen waren zwart, met blank geschuurde bufferschalen. Dit kunnen we in model goed imiteren met ijzerkleurige verf bijvoorbeeld REVELL 91, eventueel “besmeurd” met wat zwart. Biezen heb ik op geen enkele foto kunnen ontwaren, maar ze zouden rood geweest moeten zijn.

In de NS tijd werd het donkergroen door olijfgroen vervangen. De zijden van de waterbakken waren getooid met een zwarte bies, De gepolijste bufferschalen verdwenen langzamerhand onder zwarte verf en vet. Alles onder de voetplaat werd ook zwart. De gordijntjes zullen donkerbruin geweest zijn. Ik spoot de kap eerst REVELL SM 363 groen, waarna ik de details met een fijn penseel schilderde. Hiervoor gebruikte ik zijdeglansverf, behalve voor de gordijntjes die mat werden.De bufferbalken plakte ik voor het spuiten af, om een witte onderlaag voor het rood te houden. De handrails, voorzover ze niet door gordijntjes werden afgedekt, krabte ik voorzichtig blank. Nummerplaten wilde ik uit dun messing knippen, zwart schilderen en met een fijne graveerstift van de juiste opschriften voorzien. Van Hans Reints kreeg ik echter een paar prachtige geetste nummerplaatjes van PHILOTRAIN, waardoor het locomotiefje nu het nummer 6725 draagt. (Dat klopt niet met de tramkoppelingen. Jammer maar helaas… Ik doe maar net of er 6726 staat. De biezen werden met fijn tape afgeplakt en voorzichtig met zwarte verf geschilderd. Over het algemeen geldt, dat kleine modellen een toon lichter dan het origineel geschilderd moeten worden om werkelijkheidsgetrouw over te komen. Aangezien dit soort locomotiefjes door hun vaste bemanningen doorgaans zeer goed werd verzorgd, moet eventuele vervuiling zeer terughoudend worden aangebracht. Een beetje remstof en roet is al voldoende. Ik gaf het geheel eerst een sterk verdunde washing met zwart om de details wat meer naar voren te halen, waarna het drijfwerk verschillende washings met bruine tinten kreeg. Kleine details werden met beige verf in dry brush techniek opgehaald.

Na het schilderen werden ruitjes met HUMBROL CLEARFIX in het machinistenhuis gezet. Over het printplaatje op de motor werd een stukje isolatieband geplakt om kortsluiting met het dak te voorkomen. Als de motor neiging heeft tot loswerken, lijmt U hem met een klein drupje tweecomponentenlijm vast in de vatting. In noodgevallen is dit met een mesje te verwijderen, zodat de motor toch nog kan worden uitgenomen. Tenslotte schroeft U de kap op het onderstel. Mijn kap zat behoorlijk klem en ik heb daarom de schroef maar weggelaten. Uitgerekend op de plaats waar de schroef moet komen, zit een holle ruimte in het frame, die eerst opengefraisd moet worden alvorens er een gat geboord kan worden. Het lokje kan verder nog worden verfraaid met zaken als een emmer, vijzels en personeel.

Materialen:
1 Fleischmannmodel “ANNA”.
Plaat 0,75, 0,5 mm.
Staf 6, 3, 1, 0,8, 0,5 mm.
Restjes styreen.
Glad plastic isolatieband (GAMMA fietsmateriaal).
Diverse maten ballpointvullingen en buis 2 en 4 mm.
Koppelingen, remblokken, seinijzers en luchtslangen van ROCO.
Ruitjes.
Buffertjes, een luchtpomp, lantaarns, vijzels ed.
Stukje gitaarsnaar.
M1 boutjes.
Tweecomponentenlijm, secondenlijm.
IJzerzaag.
Fijne metaalfiguurzaagjes (no. 1) in beugel.
Grote vijl.
Sleutelvijltjes.
Pin vice met boortjes. (niet overal verkrijgbaar, ik haalde mijne bij de Games Workshop)
Waterproof schuurpapier 400, 600.
Glasvezelpen.
Evt. Minifrais en draaibank.
Een oud glazuurmes van de tandarts. Die mini-beiteltjes zijn ideaal voor het uitvoeren van “plastic surgery” en het wegkrabben van lijmresten uit hoekjes!

Het verhaal van deze ombouw is gemaakt door Thonis van der Weel en bewerkt door Hans Reints